Aanwijzing 6.24 Vervallen uitvoeringsregelingen

  1. Bij de gehele of gedeeltelijke intrekking van een regeling wordt mede ingetrokken de op deze regeling of het in te trekken gedeelte daarvan gebaseerde uitvoeringsregelgeving, tenzij voor die regelgeving een andere grondslag bestaat of specifiek bij die gelegenheid tot stand wordt gebracht.
  2. De intrekking kan geschieden in de regeling die strekt tot het geheel of gedeeltelijk intrekken van de delegerende regeling.
  3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op het laten vervallen van bepalingen in een uitvoeringsregeling in verband met het vervallen van de grondslag daarvan.

Toelichting

Eerste lid. Door het intrekken van een delegerende regeling vervalt de rechtsgrondslag aan uitvoeringsregelingen die daarop gebaseerd zijn en kunnen die regelingen niet langer effect hebben. In het verleden werd daarom in bepaalde gevallen volstaan met de mededeling in de toelichting dat door het vervallen van de delegatiegrondslag de uitvoeringsregelingen van rechtswege zijn vervallen. Deze werkwijze kan echter tot onduidelijkheden leiden omdat de actuele grondslag van een uitvoeringsregeling niet altijd evident is. Ingevolge aanwijzing 6.8, eerste lid, kan deze uitvoeringsregeling bijvoorbeeld een andere grondslag hebben gekregen of krijgen met de intrekkingsregeling, zonder dat dit uit de uitvoeringsregeling als zodanig blijkt. Om onduidelijkheid over de juridische status van uitvoeringsregelingen te voorkomen, is het daarom wenselijk de intrekking expliciet te regelen. Dit betekent overigens niet dat uit het feit dat een regeling niet expliciet is ingetrokken, a contrario kan worden afgeleid dat de regeling nog steeds zou gelden. Bepalend voor de geldigheid van een uitvoeringsregeling is of voor die regeling een rechtsgrondslag in een hogere regeling bestaat.

Tweede lid. Vanuit het oogpunt van wetgevingsefficiëntie kan het in de rede liggen de intrekking te regelen in de regeling die strekt tot het geheel of gedeeltelijk intrekken van de regeling waarop de uitvoeringsregeling is gebaseerd. Hiermee maakt de wetgever expliciet de keuze de regeling ofwel te voorzien van een nieuwe grondslag overeenkomstig aanwijzing 6.8, ofwel in te trekken. Indien een uitvoeringsregeling niet op deze wijze wordt ingetrokken, maar nadien alsnog separaat wordt ingetrokken, kan de bepaling waarbij de delegerende regeling indertijd is ingetrokken als grondslag voor de intrekking van de uitvoeringsregeling worden gebruikt.

Derde lid. Ook bij het gedeeltelijk vervallen van de grondslag van een uitvoeringregeling geldt dat expliciete vervallenverklaring van de daardoor geraakte bepalingen in die regeling wenselijk is. Dit kan eveneens plaatsvinden door middel van de regeling die strekt tot de gehele of gedeeltelijke intrekking van de delegerende regeling.